Kunst

Een Valse Vermeer: hoe konden ze zich zo vergissen?

Een Echte Vermeer Filmstill
'Zal ik dit schilderij kopen, Herr Flick?'

Heb jij de nieuwe Nederlandse film ‘Een Echte Vermeer’ al gezien? Weet je dat dit verhaal (bijna) waargebeurd is? En vraag jij je ook af waarom Abraham Bredius een valse Vermeer niet kon herkennen?

Bredius was een grote naam. Hij was directeur van het Mauritshuis geweest en schreef diverse publicaties over de Gouden Eeuw. Vergiste hij zich of was hij een Diederik Stapel?

Om in de stemming te komen, hieronder eerst het (bijna) waargebeurde verhaal van de film (spoiler alert!)

Vervalsingszaak Van Meegeren

Kunstenaar Han van Meegeren heeft een geheime verhouding met Jolanka, de knappe, jonge vrouw van de machtige kunstkenner Abraham Bredius. Als Bredius de affaire ontdekt, kraakt hij Van Meegeren’s solo tentoonstelling af en verwoest daarmee Van Meegeren’s verdere carrière als kunstschilder.

Woedend zint Van Meegeren op wraak. Abraham Bredius moet van zijn voetstuk vallen. De aanval op zijn geloofwaardigheid wordt ingezet met het schilderij ‘De Emmausgangers’.

Van Meegeren schildert het werk in de stijl van de oud Hollandse meester Johannes Vermeer. Het schilderij lijkt zo perfect, dat de grootste kunstkenners om de tuin worden geleid.

Op advies van Bredius worden duizenden guldens van particulieren verzameld om deze Vermeer voor het museum Boijmans van Beuningen aan te kopen. De uiteindelijke ontmaskering van de vervalsing volgt pas jaren later.

Tijdens de bezetting is Nazi-Rijksmaarschalk Hermann Göring een fanatiek verzamelaar van Hollandse meesters. Han van Meegeren verkoopt hem de valse Vermeer ‘Christus en de overspelige vrouw’.  Na de bevrijding wordt Van Meegeren, door zijn aandeel in de foute kunsthandel, beschuldigd van collaboratie. Hij wordt opgepakt en ondervraagd.

Dan gebeurt er iets dat iedereen verrast: Han van Meegeren beweert de Vermeer zelf te hebben gemaakt. En sterker, dit is niet zijn enige vervalsing. Nog enkele anderen noemt hij, waaronder ‘De Emmaüsgangers’ van het Museum Boymans. Abraham Bredius en oud Boymans directeur Dirk Hannema komen in opspraak.

In 1947 wordt Van Meegeren tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij overlijdt twee maanden later. Dirk Hannema blijft tot zijn dood in 1984 geloven dat Van Meegeren loog en dat het schilderij ‘De Emmaüsgangers’ een echte Vermeer is. Hij stelde het schilderij ten toon op zijn kasteel ‘Het Nijenhuis’, waar het nu nog steeds te zien is.

Tot zover dit spannende verhaal, waarin alleen de liefdesaffaire en de vermeende wraak op Bredius fictie is. Vraag blijft:

Hoe konden de kunstkenners zich zo vergissen?

Hieronder geef ik mijn betoog en beschrijf ik hoe attributie vraagstukken tegenwoordig heel anders worden aangepakt.

One-man-show

Een eerste verklaring voor de grote blunder: begin 20ste eeuw was het kunstkennerschap een ‘one man show’. Kenners als Abraham Bredius (1855-1946), Rembrandt deskundige Cornelis Hofstede de Groot (1863-1930) en Dirk Hannema (1896 -1984) waren onfeilbare grootheden. Met een flinke portie zelfvertrouwen, wezen de grote kunstkenners alles wat lijkt op modern onderzoek af.

Methoden gebruiken? Nee, intuïtief zijn was veel belangrijker voor een kunstkenner. “Het helpt zo weinig, stijl kun je niet bewijzen”, aldus Bredius.

Hofstede de Groot maakte zich boos, wanneer chemisch onderzoek ter sprake kwam: “Op grond ener nagenoeg veertigjarige ervaring, meen ik te mogen volhouden dat dit schilderij even zeker door Frans Hals is geschilderd is, als de Nachtwacht door Rembrandt…..ik zou na veertig jaar werken moeten bekennen dat de gehele kunstgeschiedenis en stijlkritiek uit den boze zijn.”

Werken in teams? Dirk Hannema was niet enthousiast.

Team work: dat is het concentreren van zwakke figuren die op elkaar leunen

Er was weinig ruimte voor kritiek, er was geen peer review. Hoe anders gaat dat nu! Over een attributie kan jarenlang door verschillende instituten gesteggeld worden. Bekijk bijvoorbeeld de documentaire ‘Hieronymus Bosch, touched by the devil’.

Deze documentaire laat heel goed de politieke spanningen zien rond de toeschrijvingen van schilderijen aan Jeroen Bosch of zijn leerlingen. Er gaat natuurlijk ook een heleboel geld, dan wel prestige mee gepaard.

Too big to fail

Behalve dat kunstkenners als Bredius dus geen enkele feedback kregen, was er ook een financieel belang bij hun expertise. Dirk Hannema was, op het sneue af, te trots om zijn fout toe te geven. Maar hij had dan ook meer te verliezen dan alleen een deukje in zijn ego. Verlies van vertrouwen in de connaisseur, betekende verlies van kapitaal voor zijn cliënten.

De kring van kunstkopers, die had vertrouwd op het oordeel van hun adviseur, had er groot belang bij dat de mythe rond kunstkennerschap bleef bestaan. Werd er getwijfeld aan de echtheid van hun schilderijen, dan betekende dat uiteraard een flinke daling in de waarde van de stukken. Hannema kon niet terugkrabbelen, zonder daarmee zijn clientèle te schaden.

Een verouderde traditie

Tot slot werkten de grote kunstkenners volgens een verouderde kunsthistorische traditie. Die van Giorgio Vasari (1511 – 1574), ook wel bekend als de eerste kunsthistoricus.

Vasari schreef het boek Le vite de piu eccelenti pittori, architetti e scultori over de belangrijkste Italiaanse kunstenaars en architecten, sinds Giotto di Bondone tot zijn eigen tijd. Hij beschrijft hun leven en laat de ontwikkeling van de kunst van Italië zien. De beschrijvingen van de vroege kunstenaars in Vasari’s boek zijn doorspekt van legendes en fantasie. Naast de kunstwerken zelf, was de mythe rond de kunstenaar het enig overgeblevene.

Toch hadden Bredius en Hannema beter kunnen weten! Eind 19e eeuw waren er al kunsthistorici die methoden gebruikten.

Giovanni Morelli (1816 -1891), een in Duitsland publicerende kunsthistoricus wilde met legendes niets te maken hebben. Alleen het kunstwerk zelf was een betrouwbare bron voor wetenschappelijk onderzoek. Als een natuurwetenschapper bestudeerde Morelli wat hij ziet op schilderijen. Hij let op bepaalde karakteristieken, zoals stofuitdrukking, gezichtsuitdrukking, oren, handen, neuzen en pigmenten. Schilderijen waarvan deze gedetailleerde karakteristieken overeenkomen, kunnen logischerwijze toegeschreven worden aan dezelfde kunstenaar. Later werd deze manier van attributieonderzoek de ‘Morelliaanse methode’ genoemd.

Maurits van Dantzig (1903 -1960) deed voor Rembrandt onderzoek hetzelfde. Van Dantzig stelde een genummerde lijst met karakteristieken op van Rembrandt schilderijen. Deze lijst van karakteristieken werd vervolgens nummer voor nummer afgegaan. Gold de karakteristiek voor het werk, dan werd een plusje gezet achter het nummer. Zo niet, een minnetje. Uiteindelijk kon met een rekensom bepaald worden hoe groot de kans was dat men met een echte Rembrandt te maken had. Deze methode noemde Van Dantzig ‘Pictologie’.

Een grote vooruitgang in de manier van werken was dat de denkmethode werd opgeschreven en zo de mythe rond het kennerschap verdween. In de Jeroen Bosch documentaire zie je het onderzoeksteam ook de kleine details op de kunstwerken met elkaar vergelijken.

Nieuwe technieken

Nieuwe technieken hebben het attributie onderzoek de afgelopen decennia stukken beter gemaakt. Zo kun je met behulp van infrarood reflectografie (IRR) meer te weten komen over de ondertekeningen op schilderijen en veranderingen in de verflagen.

Uit de ondertekeningen blijkt vaak dat meerdere kunstenaars aan het schilderij hebben gewerkt. Op de ondertekeningen zie je dan bijvoorbeeld de karakteristieke schetsen van ‘de meester’, terwijl het uiteindelijke schilderij is afgemaakt door leerlingen uit zijn werkplaats.

Chemisch onderzoek geeft opheldering over de gebruikte pigmenten en bindmiddelen voor de verf. De schering en inslag van een doek kunnen wijzen op de plaats waar het textiel werd gekocht of geproduceerd.

Dendrochronologie (ofwel: jaarringenonderzoek) geeft inzicht in de oorsprong van een lijst of paneel. Het principe van dit onderzoek is dat jaarringen van bomen ieder jaar verschillen van het voorgaande jaar. De verschillen worden veroorzaakt door variaties in gemiddelde temperatuur en neerslag over de jaren heen. De jaarringen van een boom, die groeide en gekapt werd in een bepaalde regio of tijdsperiode, komen overeen met de jaarringen van een boom die in dezelfde regio, in dezelfde periode, leefde.

Wanneer je jaarringenonderzoek doet op voldoende bomen, kun je een database aanleggen, waarmee jaarringen van verschillende nog levende bomen, museale houten objecten of archeologische objecten kunnen worden vergeleken. Zo kan men er vrij precies achter komen wat de leeftijd is van een lijst of paneel.

Mythes kunnen nuttig zijn

Moderne methoden en technieken werken als mythbusters voor het kunstkennerschap. Voor een onafhankelijke kunsthistoricus is het attributievraagstuk doorgaans niet de meest interessante onderzoeksvraag.

Kunsthistorici reconstrueren liever de context waarin de meester zijn werken maakte. Wie waren de leveranciers, de leerlingen, de makelaars, de opdrachtgevers? Het is een economische en op feiten gebaseerde benadering, die past bij deze tijd.

Toch is het niet verboden om mythes te creëren rond kunstwerken. Denk aan de mythevorming rond de anonieme street artist Banksy. Een mythe blijft plakken en wordt doorverteld. Bredius zou in deze tijd geweldig werk hebben geleverd op de marketingafdeling.

“Nu ik deze tekening heb, is mijn hoofdpijn over en is mijn vrouw weer bij me terug”

Gebruikt voor dit artikel:

  • Ben Broos, Bredius, Rembrandt en het Mauritshuis, een eigenzinnige directeur verzamelt, Zwolle 1991,
  • Maurits van Dantzig, Pictology, an analyticial method for attribution and evaluation of pictures, Leiden, 1973
  • Max Jacob Friedländer, Kunst en kennerschap, Leiden 1948
  • Carol Gibson-Wood, Studies in the theory of connoisseurship from Vasari tot Morelli, New York, 1988
  • D. Kraaijpoel, H. van Wijnen, Han van Meegeren en zijn meesterwerk van Vermeer 1889-1947,  Zwolle 1996
  • Hubert von Sonnenburgh, Rembrandt/Not Rembrandt in The Metropolitan Museum of Art: Aspects of Connoisseurship, New York 1995
  • Ernst van de Wetering, ‘Rembrandts kunst: een poging tot objectieve waardering’, in Rembrandt: zoektocht van een genie, Zwolle 2006, pp. 235-248
  • Hidelies Balk, ‘Kennerschap en zelfbedrog’, Dirk Hannema en Johannes Vermeer, in Kunstschrift, 2 (2007) pp. 40-45
  • Eddy de Jongh, ‘Halsen van latere makelij’, in Kunstschrift, 2 (2007) pp. 30-39
  • Persmateriaal Cinéart.